Onderweg naar Fiable

[Disclaimer] Dutch Language / Grammatical Mistakes

Copyright 2016 (C) Xavier Brenet

Although this is a free book, it remains the copyrighted property of the author, and may not be reproduced, copied and distributed for commercial or non-commercial purposes. If you enjoyed this book, please encourage your friends to download their own copy at Smashwords.com, where they can also discover other works by this author. Thank you for your support.

Verhaal:

‘Hier ben ik dan eindelijk,’ zegt Kiad verdrietig en opgelucht tegelijkertijd. ‘In deze grot zit het geneesmiddel voor mijn kleine broertje.’ Met waterige ogen pakt hij de ketting die zijn broertje voor hem heeft gemaakt toen hun een akkefietje hadden. Het was een goedmaker. Dat was echt een magisch moment voor Kiad dat die kleine jongen zoveel moeite voor hem deed. Hij knijpt de ketting stevig in zijn hand en neemt een diepe zucht.‘Het is mijn schuld,’ zegt Kiad verdrietig. ‘Ik had beter op je moeten letten!’ Toen Kiad met zijn broertje hun dorp uitgingen om de bos in te gaan rende hij weg. En was uren lang spoorloos totdat Kiad hem op de grond zag liggen bij de mysterieuze giftige planten met een schuimbek. Die mysterieuze plant komt steeds vaker voor op Skura en groeit overal. In de warme en ook koude gebieden. Dus je moet echt oppassen waar je loopt. En Kiad overleeft het niet als zijn broertje iets overkomt. Hij is zijn enige lichtpuntje in zijn leven. Het leven hier op Skura is zwaar.

Het was een heel lange rit naar deze grot en de enige plek waar het geneesmiddel is, maar Kiad heeft het over voor zijn kleine broertje. Behoedzaam loopt hij de pikdonkere grot in en moet met zijn handen voelen waar hij moet lopen. Hij haalt zijn hand langzaam en voorzichtig over de muur.‘Okay,’ zegt Kiad. ‘Waar er licht uit de muur begint te schijnen moet de medicijn zijn.’Hij haalt ook zijn andere hand over de muur en kijkt heen en weer van hand naar hand.‘Broertje,’ denkt Kiad bij zichzelf. ‘Je kunt toch niet zomaar de bos in rennen, het is er gevaarlijk?’Kiad en zijn broertje zijn K’tisten. Het zijn andere wezens dan mensen. Het zijn wezens die vooral heel angstig zijn, ze schreeuwen heel veel en hebben daardoor een schorre stem. Ze hebben een kromme rug, te grote voeten en hele dunne lange scherpe vingers. En ze hebben een vervormd gezicht en kunnen niet heel goed kijken. Maar zijn een intelligente levensvorm. Afwezig haalt hij zijn handen over de muur en is diep in gedachten. ‘Er zijn heel veel gevaren op Skura die mijn broertje nog moet leren,’ denkt Kiad bij zichzelf. ‘Al die kwaden waar je wel en niet kunt gaan.’ En daarom wil Kiad ook niet dat zijn broertje alleen het bos in gaat anders was dit niet gebeurd. Het dorp waar Kiad en zijn broertje vandaan komen heet ‘Fiable’. Het ligt in de bergen, het is daar ijs en ijskoud maar de K’tist kunnen goed tegen de kou. Komt voornamelijk doordat K’tisten altijd angstig zijn en door de spanning het niet snel koud hebben. Geconcentreerd beweegt hij zijn hand over een afgebrokkeld stuk muur en er komt een fel groen licht uit. ‘Ja,’ zegt Kiad blij. ‘Hebbes.’ Kiad slaat keihard op de muur en er vallen kleine groene kristallen uit. Hij raapt de kristallen van de grond en stopt het in zijn kleine tasje om zijn heup die gemaakt is van donkerblauwe planten. Die kristallen moet je dan malen, koken en daarna opdrinken. ‘Houd vol broertje,’ zegt Kiad bezorgd. ‘Ik beloof je dat ik deze gevaarlijke weg naar Fiable zal redden om je de medicijn te geven!’ Voorzichtig probeert hij een weg uit de donkere grot te vinden en loopt de grot uit. ‘Moet nu helemaal terug naar Fiable,’ zegt Kiad bezorgd. ‘Moet weer al die kwaden van Skura doorstaan.’ Skura is de planeet waar Kiad leeft. Skura is niet echt een planeet, het is een maan van een maan van een gigantische planeet. Je kunt de grote planeet zien vanuit Skura, het is een grote groene planeet die het zonlicht blokkeert. Op Skura is het dag en nacht donker. Dat is iets wat Kiad frustreert, hij weet dat er meer kleuren bestaan dan alleen die donkere kleuren hier op Skura. Hij trekt een lelijke bijna zwarte onkruid uit de grond. ‘Kijk,’ zegt Kiad verdrietig. ‘Waar heb ik dit aan verdiend? Ik heb nog nooit een kleur in mijn leven gezien.’ Hij kijkt weer naar de grote groene planeet. ‘Ik weet dat er meer kleuren in het universum zijn,’ zegt Kiad kijkend naar de grote groene planeet. ‘Anders zou die planeet niet groen zijn.’

Hij gooit het onkruid verdrietig op de grond en begint te lopen en kijkt de hele tijd om zich heen. ‘Welke kant moest ik ook al weer op.’ zegt Kiad. Hij kijkt om zich heen en ziet één van de mooiste en raarste planten die hij ooit heeft gezien. Hij loopt er naar toe en bukt om het mooie rare uitziende plant uit de grond te plukken. Ze lijken wel een mond te hebben met een soort bel eronder. ‘Dit is volgens mij de planten waar mijn moeder het altijd over heeft,’ zegt Kiad vrolijk. ‘Als je de weg kwijt bent op Skura wijzen hun de weg van je hart.’ Hij doet zijn ogen dicht en zet de plant bij zijn hart. ‘Ik heb dit nog nooit gedaan,’ zegt Kiad. ‘Okay, wijs mij de weg van mijn hart.’ Kiad doet zijn ogen open en kijkt naar die andere planten op de grond. Ze beginnen allemaal te dansen en te zingen. Hij kijkt zijn ogen uit. De planten zingen niet in woorden, maar in de mooiste klanken die hij ooit hebt gehoord. Ze dansen ook niet echt, maar zwingen en zweven een beetje over de grond. ‘Wow,’ denkt Kiad. ‘Magisch!… Hé, ik kan verstaan wat ze zingen. Ik weet niet hoe dat kan, maar ik versta ze echt.’

Hij volgt de weg die de planten naar hem zingen en kijkt steeds achterom naar die mooie magische zingende planten. ‘Ik hoop dat ik levend thuis kom,’ denkt Kiad bezorgd. ‘Want op Skura is dat niet zeker, er zijn hier genoeg Kwaden op Skura. Ik heb heel veel vrienden verloren aan die verdoemde kwaden… Hé, wat is dat wat ik hoor!’ Geschrokken draait hij zijn hoofd om naar achteren en ziet in de verte de atmosfeer trillen. ‘Wat is dat!’ schreeuwt Kiad. Het geluid komt dichterbij en wordt harder en ondragelijker. Kiad springt naar voren en voordat hij zijn oren wil bedekken met zijn handen passeert die geluid hem. Hij komt in een droomwereld terecht en valt van een hoge berg en heeft zijn ogen dicht. Hij realiseert zich niet dat hij nu van een berg valt. Alles gaat zo sloom, de wind, hoe zijn huid reageert op de wind, de wereld en zijn denken. Alles! Zijn ogen gaan langzaam open en kijkt langzaam om zich heen. ‘Wat,’ vraagt Kiad sloom. ‘Waar… waar… ben ik?’ Kiad kijkt langzaam naar beneden en schrikt. ‘Almachtige kwaden op Sk…’ zegt Kiad sloom. Heel bang schudt hij zijn hoofd en pakt een plant op de rand van de berg en komt terug in de werkelijkheid. Je hoort Kiad een heel diepe adem nemen en hoort zijn keel raspen en valt uitgeput op zijn knieën. ‘Wat was dat!’ schreeuwt Kiad met zijn handen in de lucht. ‘Wat was dat voor een kwaad! Waar was ik in vredesnaam!’ Als Kiad de plant op de rand van de berg niet had gepakt was hij van de berg af gevallen en voor altijd in een droomwereld gebleven. Hij begint te kotsen en te hoesten. ‘Iemand,’ zegt Kiad Hoestend. ‘Help me! Ik wil thuis zijn!’ Hij probeert op te staan, maar dat gaat moeizaam. ‘Verdoemde Kwaden!’ zegt Kiad Kreunend. ‘Ik moet opstaan!’ Trillend en schuddend probeert hij op te staan en neemt een stevige stap op de grond omdat hij bijna valt. Hij blijft even staan om in evenwicht te komen en loopt wankelend verder en kijkt om zich heen of er geen gevaar komt. ‘Moet niet om me heen kijken,’ denkt Kiad bij zich zelf. ‘Daar word ik alleen maar zenuwachtig van. Gewoon vooruit kijken.’

Een K’tist kan niet tegen een te open omgeving zoals een gebied met een uitgestrekte boomloze vlakte, daar word een K’tist zenuwachtig en angstig van. Hij kijkt toch onbewust om zich heen en begint zich warm te voelen en te transpireren, zijn haartjes op zijn rug gaan overeind. En begint zich ongemakkelijk te voelen. ‘Stop hier mee, Kiad,’ zegt hij met zijn hand op zijn voorhoofd. ‘Gewoon iets vrolijks denken… Okay.’ Hij schudt zijn hoofd en probeert aan iets te denken waar hij blij van word. Er komt nu vanzelf een glimlach op zijn gezicht. ‘Mijn moeder heeft het altijd over de goden van Skura,’ denkt hij vrolijk bij zich zelf. ‘En over de Kwaden… Nooit verwacht dat ik die kwaden ooit zou moeten doorstaan.’ Er word gezegd dat de kwaden op Skura de wraak is van de uitgestorven goden. De voorouders van Kiad hadden ze verbannen van Skura doordat de goden meer macht over de bevolking wilden. En misbruikten hun status als goden om zo dan de bevolking uit te buiten. ‘Nou bedankt,’ denkt Kiad bij zichzelf. ‘Als mijn voorouders de goden met rust hadden gelaten zou het nu niet zo een hel zijn hier op Skura.’

Hij kijkt omhoog met een teleurgesteld blik in zijn ogen en zet zijn vuist in de lucht. Maar heel snel draait hij zijn hoofd omdat hij iets ziet glinsteren in de uithoeken van zijn ogen. ‘Wat raar,’ zegt Kiad verbaasd. ‘Het lijkt wel alsof er iets in de verte de grote groene planeet weerspiegelt in de lucht.’ Met een snellere looppas loopt hij naar die weerspiegeling van de grote groene planeet. ‘Bizar,’ zegt Kiad verstomd. ‘Het is een meter lange glazen grond die de grote groene planeet weerspiegeld. Wat heeft dit te betekenen?’ Voorzichtig raakt hij de ijskoude glazengrond aan met zijn tenen en haalt ze weer snel weg. ‘Almachtige kwaden van Skura,’ zegt Kiad geschokt. ‘Waar ben ik nu weer in beland?’ Geschokt kijkt hij om zich heen of hij er om heen kan lopen. ‘Nee,’ zegt Kiad verontrustend. ‘Moet er toch over heen, ik kan geen ander kant op.’ De zwarte glazen vloer is wel een kilometer breed en vijftien meter lang, dus Kiad heeft geen keus. ‘Hier gaat ‘ie dan.’ zegt Kiad. Zachtjes zet hij zijn eerste voet en dan zijn tweede. Met een bang gezicht loopt hij over de glazen grond en ineens hoort hij een gehuil uit de grond komen. Hij staat stokstijf en loopt weer snel verder, maar dan voelt hij een tik tegen zijn rechtervoet. Heel snel kijkt hij om naar zijn voet en ziet helemaal niks. Alert loopt hij weer verder en voelt een tik tegen zijn ander voet. Met een bang gezicht kijkt hij heel snel naar zijn linkervoet en er is weer niets te zien. Hij versnelt zijn looppas en word bij zijn rechtervoet gepakt en valt met een harde klap op zijn gezicht op de grond. En wordt naar achteren getrokken. ‘Almachtige…’ schreeuwt Kiad. Met een geschreeuw draait hij zich om te zien wat hem beet heeft. Geschokt ziet hij een witte hand zijn voet loslaten en weer de grond in gaan. Trillend van de angst gaat Kiad op zijn kont zitten en leunend op zijn handen achter zijn rug. ‘Ik kan niet tegen deze kwaden op,’ fluistert Kiad trillend. ‘Ik wil liever dood zijn.’ Trillend zit hij op zijn billen om zich heen te kijken. En schrikt omdat er twee handen zijn handen achter zijn rug beet pakt. Hij stribbelt tegen, maar die handen zijn veel te sterk. Hoe meer de handen controle krijgen over Kiad hoe harder de grond huilt. Schreeuwend probeert Kiad zich los te krijgen, maar tevergeefs, de handen zijn veel te sterk. Met al zijn kracht probeert Kiad zijn nek om te draaien om zo dan die handen te zien, want op die manier waren de vorige handen ook weer de grond in gevlucht. Met moeite draait hij zijn nek langzaam om en je kunt al zijn nekspieren zien spannen en kracht zetten. En het lukt hem om de handen te zien, en de handen vluchten weer de grond in. Heel snel staat hij op en rent zo hard als hij kan om van deze glazengrond af te komen. ‘Hé,’ schreeuwt Kiad. ‘Daar houd de glazengrond op, ik ben er bijna!’ Hij rent nog harder en is bijna van die glazengrond af, maar dan pakt een hand zijn rechtervoet. Nog maar net kan hij een plant grijpen die in de normale grond zit, maar de wortels zijn niet sterk genoeg om hem te houden en wordt toch weer de glazengrond opgetrokken. ‘Nee!’ schreeuwt Kiad. ‘Nee!’ De hand sleept hem langzaam de glazengrond in. ‘Mijn broertje heeft de medicijn nodig,’ schreeuwt Kiad. ‘Kan je dat dan niet zien!’ Hij steekt zijn scherpe lange vingers in de glazengrond en probeert zichzelf langzaam weer op de normale grond te trekken. ‘Ik laat mijn broertje niet in de steek!’ brult Kiad. Eén hand heeft Kiad beet bij zijn rechtervoet en de ander pakt hem beet bij zijn hoofd en probeert zijn ogen in te drukken. Kiad probeert die hand te bijten en blijft doorzetten tot hij van de glazengrond af is. Hij klimt als het ware over de glazengrond door zijn lange vingers in het glas te steken. De hand trekt zijn hoofd omhoog en slaat het op het glas. Kiad probeert die hand weg te schudden met zijn hoofd, maar die hand is veel te sterk. ‘Mijn broertje kan dood gaan!’ brult Kiad terwijl zijn hoofd op het glas geslagen word. En de hand slaat Kiads hoofd zo hard op het glas en veroorzaakt een blauwoog en een bloedlip. ‘Ik zeg tegen jullie dat mijn broertje ziek is!’ schreeuwt Kiad terwijl zijn hoofd nog steeds op het glas word geslagen. Kiad word boos en slaat schreeuwend zijn voet zo hard op het glas dat er een barst in komt. De handen verliezen hun kracht en worden minder sterk, maar kunnen Kiad toch nog tegenhouden. Schreeuwend trekt hij zich zelf steeds meer de normale grond op. En door hard door te zetten komt Kiad weer op de normale grond en valt als een blok op zijn borst. De handen vluchten weer de glazengrond in, en Kiad is nu helemaal buitenadem. Zijn borst gaat op en neer alsof zijn longen al de zuurstof op Skura zijn lijf moeten in pompen. Alsof zijn lijf een pompmachine is geworden. ‘Ik… ‘ zegt Kiad buitenadem terwijl al het zand in zijn mond terecht komt. ‘Ik… moet… verder… mijn broer!’

Moeizaam probeert hij zich zelf over de vloer te slepen en kan nauwelijks zijn ogen open houden. ‘Op deze manier red ik het niet.’ zegt hij moe. Uitgeput blijft hij hijgend op de grond liggen om op kracht te komen. En zet eerst zijn rechter voet op de grond en dan zijn ander voet. Hij blijft eventjes gehurkt op zijn twee voeten en probeert kracht te verzamelen. Door zijn ogen te sluiten en te mediteren wil hij op kracht komen. Hij houdt zich een paar seconden op die manier en ademt langzaam in en uit, in en uit. Hij zet dan zijn handen naast hem op de grond om zich langzaam omhoog te duwen. Hij draait zijn hoofd langzaam naar de glazengrond. ‘Wat een kwaad,’ denkt Kiad. Langzaam loopt hij weer verder en, begint er een zacht briesje te waaien. Hij staat even stil om er even van te genieten. Hij voelt zijn huid langzaam afkoelen, en zijn kleine haartjes op zijn lichaam wapperen. De wind waait zo zacht dat het voelt als een zijden deken die over zijn huid streelt. ‘Moet even tot rust komen.’ denkt Kiad. ‘Dit is wat ik nu nodig heb. Heerlijk.’ En de wind draait van richting. Hij draait zijn hoofd om naar de richting van de wind en blijft er met ogen dicht van genieten. Maar dan komt er een vieze stank lucht met de wind mee. Hij trekt een vies gezicht en doet zijn misvormde neus dicht. ‘Wat is dat voor stank?’ zegt kiad verontrustend. ‘Het ruikt naar iets onwezenlijks. Naar iets dat rot.’ Maar toch volgt hij waar de stank vandaan komt uit nieuwsgierigheid en het word al snel duidelijk waar door het zo stinkt. ‘Almachtige kwaden!’ schreeuwt Kiad. Zijn mond valt wijd open en kijkt om zich heen. ‘Wat is er hier gebeurd!’ fluistert Kiad. Hij hurkt om het beter te zien. ‘Mijn soortgenoten.’ fluistert Kiad. ‘Deze K’tisten zijn allemaal verscheurt en opengereten… maar door wie of wat?’ Met walging staat hij weer op en loopt langs de verscheurde organen en ingewanden. Overal waar Kiad kijkt is er bloed. De bomen, het gras en de afgebroken takken. Echt overal. De planten en de bomen zijn allemaal opgegeten en kapot gemaakt. Het lijkt alsof er hier een gek heeft huisgehouden. Kiad kijkt of hij K’tisten ziet die hij kent, maar ze zijn zodanig verminkt dat je ze niet meer kunt herkennen. Met verschrikking kijkt hij om zich heen. ‘Verschrikkelijk.’ denkt Kiad.

Terwijl Kiad met afschuw om zich heen kijkt komt er een gevaarlijk wezen zijn richting op. Langzaam, hijgend en kwijlend met een glimlach op zijn gezicht. Hij loopt swingend en schuddend met zijn hoofd te grijnzen en te grinniken. En blijft even staan kijken hoe Kiad zich paniekerig beweegt. Het lijkt alsof het wezen staat te popelen om met Kiad te praten en staat heel zachtjes te lachen en haalt heel diep adem. En wil toch wat zeggen tegen Kiad. ‘Hallo,’ vraagt dat wezen met een overdreven gek stem. ‘Wie ben jij?’ In paniek draait Kiad zich om en ziet tot zijn schrik… Een Chizof! ‘Hallo,’ vraagt de Chizof met een overdreven glimlach en stem voor de tweede keer. ‘Wie ben jij?’ ‘Kiad.’ zegt Kiad stotterend en buitenadem van de schrik. Kiad voelt zijn hart bijna uit zijn borst kloppen en draait zich om en loopt weg. ‘Wil jij mij vriendje niet zijn?’ vraagt de Chizof op een gek kinderachtige manier. Met een bang gezicht draait Kiad zijn hoofd om terwijl hij wegloopt. ‘We kunnen ook penvrienden worden?’ zegt Kiad lachend met twee bange ogen. En Kiad loopt weer verder. De Chizof begint dan te springen en met zijn armen te zwaaien in de lucht. ‘Jij wilt mijn vriendje niet zijn,’ schreeuwt de Chizof met een kinderachtig stem. ‘Dan lekker niet, dan lekker niet, dan lekker niet!’ Na al dat geschreeuw rent de Chizof lachend weg. En met verbazing kijkt Kiad hoe de Chizof weg rent. ‘Wat een rare wezens toch.’ grinnikt Kiad. Maar de glimlach verdwijnt snel in het gezicht van Kiad en hij krabt zijn hoofd. En krijgt een verdrietig blik in zijn ogen. ‘Die Chizof heeft dus mijn soortgenoten verscheurd en dood gemaakt.’ zegt Kiad verdrietig terwijl hij wegloopt. ‘Ja,’ zegt Kiad, ‘Als die Chizof die K’tisten niet eerder tegen het lijf was gekomen voordat hij mij zag, was ik de K’tist die daar zou liggen.’ Een Chizof is een wezen die zo gek is als een deur en verslinden je helemaal open als ze er zin in hebben. Een Chizof is zo’n twee meter lang, heeft een grote haviksneus, een lange kaak, een heel grote mond en hebben een lang, dun scheve bovenlichaam. Wat een verschrikkelijk gezicht zijn die Chizoffen. ‘Hopelijk kom ik geen Chizof meer tegen.’ zegt Kiad in zichzelf. Uitgeput blijft hij even staan om op adem te komen en kijkt naar zijn voeten. ‘Hoeveel dingen moet ik nog meemaken voordat ik thuis ben,’ zucht Kiad. ‘Bij mijn familie en waar ik veilig ben.’

Terneergeslagen wrijft hij over zijn kale hoofd. ‘Ik vraag me af of ik wél thuis kom.’ zegt Kiad terwijl hij zijn handen over zijn schouders wrijft. ‘Zo,’ zegt Kiad bibberend. ‘Het begint nu opvallend kouder te worden.’ Het wordt kouder en Kiad kan zien dat er rijp begint te vormen op het gras en kijkt er raar van op. ‘Hoe kan de temperatuur nou zo in één keer veranderen?’ zegt Kiad verontrustend. Hij kijkt om en ziet iets raars, het lijkt alsof er een rare atmosfeer op hem afkomt, een soort koudegolf van twintig meter breed die zich met een rap tempo voortbeweegt. Met heel bange ogen ziet hij de koudegolf alles op zijn weg bevriezen. ‘Ik moet hier nu wegwezen!’ schreeuwt Kiad terwijl hij zich omdraait om weg te rennen. Kiad rent schuin terug zodat hij uit het baanvak kan springen die de koudegolf neemt. ‘Kom op,’ schreeuwt Kiad. ‘Moet harder rennen!’ Heel bang kijkt hij achterom en terwijl hij zo hard rent als hij kan, ziet hij alles bevriezen. De bomen, de planten. Alles wordt ijs. Kiad mag niet in die koudegolf terechtkomen, anders is hij er geweest! ‘Mijn benen mogen het niet opgeven!’ schreeuwt Kiad. Kiad rent zo hard als hij kan en heeft nooit geweten dat hij zo hard kon rennen als dit. De koudegolf komt steeds dichterbij. De kleine haartjes op de rug van Kiad bevriezen door de kou. Zijn benen worden stijf en kan minder hard rennen. Zijn tanden gaan op en neer. De grond wordt gladder en heeft minder grip. De koudegolf nadert Kiad en hij haalt zijn billen en rug wat meer naar voren. ‘Oh!’ schreeuwt Kiad terwijl hij weg rent. ‘Straks haal ik het niet!’ De rug van Kiad wordt kouder en begint pijn te doen. Om niet levend te bevriezen springt Kiad en de koudegolf passeert hem nog net en raakt het topje van de achterkant van zijn voet en valt in een koprol op een grasveld, en ziet met verschrikking de koudegolf voorbij razen. Er vallen sneeuwvlokken waar de koudegolf is voorbij gegaan. De bomen die zwaar zijn bevroren breken af in kleine stukjes ijs. En de hele grond is bevroren, je zou er zo op kunnen schaatsen. Vermoeid probeert hij op te staan, maar hij voelt zijn benen niet meer. Hij probeert kruipend door te gaan, maar kan zijn benen niet meer bewegen. ‘Moet doorgaan,’ praat Kiad zacht. ‘Maar ben veel te moe.’ Zijn ogen beginnen langzaam te sluiten en kan ze moeilijk open houden. ‘Nee, Kiad!’ zegt Kiad hard. ‘Moet wakker blijven… mijn broer!’

En hij valt meteen in slaap en begint direct te dromen. Hij wordt wakker in het mooiste landschap met de mooiste bloemen en planten. Een mooi landschap met grote heuvels met de mooiste kleuren die hij nog nooit heeft gezien. De bloemen bewegen heen en weer met de richting van de wind. De zon schijnt en het is lekker warm. Hij kan de geuren van de bloemen ruiken. Hij kijkt zijn ogen uit en kan niet geloven dat het echt is. Met bewondering pakt hij een bloem en ruikt eraan en krijgt een grote glimlach op zijn gezicht. Hij kan er geen genoeg van krijgen en blijft er continu aan ruiken. Zijn droom is uit gekomen, de bloemen hebben een kleur, de zon schijnt en de lucht is eindelijk blauw en niet zwart. En daar zit zijn broertje met een tak in de aarde aan het krassen. Kiad begint te lachen en rent er naar toe. Hij pakt zijn broertjes arm en ziet tot zijn schrik dat zijn ogen helemaal zwart zijn. Hij pakt de andere arm van zijn broertje en probeert hem wakker te schudden, en schreeuwt tegen hem. Maar zijn lichaam valt in kruimels uit elkaar. Kiad bukt en probeert met wanhoop de kruimels op te rapen, maar de kruimels vallen allemaal uit zijn handen. En kijkt op omdat hij een gemeen gelach hoort. Hij staat op en kijkt om zich heen en word van achteren gepakt door een zwart waas. Kiad schreeuwt zijn longen uit en probeert los te komen, maar het zwarte waas is veel te sterk. Met een hard gelach slokt het zwarte waas hem op. Kiad springt wakker en is buitenadem en helemaal bezweet. ‘Ik had een nachtmerrie.’ zegt Kiad buitenadem. ‘Denk ik.’

Hij veegt het zweet van zijn voorhoofd af en hoort in de verte een gelach en gestamp. ‘Huh,’ zegt Kiad slaperig met knipperende ogen. ‘Wat is dat… wat hoor ik?’ Dan hoort Kiad het geluid dichterbij komen en Kiad gaat op zijn armen achter zijn rug leunen. ‘Wat is dat voor een gelach,’ zegt Kiad kijkend om zich heen. ‘Laat me maar opstaan.’ Langzaam staat hij op en kijkt waar het geluid vandaan komt en ziet op een heuvel een Chizof overdreven lachend heen en weer rennen. ‘Wat gebeurt daar,’ fluistert Kiad. ‘Waarom doet die Chizof dat… die wezens zijn wel zo gek als een deur, maar dit is overdreven.’ Tot zijn schrik ziet hij een Aduhesk tevoorschijn komen en breekt de Chizof in drie stukken. Wat een gruwelijk gezicht, vindt Kiad. Door de schrik blijft Kiad stokstijf staan kijken naar de Aduhesk. Zo bang is Kiad nog nooit geweest. De heel kleine haartjes die Kiad op zijn rug heeft staan nu allemaal recht overeind. En zijn lichaam en lippen trillen als een gek. De Aduhesk rent op zijn gespierde armen heen en weer en slaat een paar keer op zijn kleine borst tot hij blijft stil staan. En kijkt met een emotieloze blik in zijn ogen naar Kiad en wijst met zijn gespierde rechter arm. ‘Die Aduhesk heeft mij gezien!’ zegt Kiad in paniek. Kiad draait zich om en rent weg en kijkt om zich heen waar hij kan schuilen voor de Aduhesk. Kiad kijkt telkens om of de Aduhesk hem nadert en kan zich niet meer normaal bewegen. Hij kijkt paniekerig om zich heen met grote glazige ogen en ziet een heel oude boom met een hol erin. Daar gaat Kiad zich in verschuilen. Met heel bange ogen ziet Kiad de Aduhesk heen en weer rennen op zijn gespierde armen en zoekt waar Kiad blijft. Elke stap die de Aduhesk maakt met zijn grote gespierde armen voelt Kiad de grond beven. Kiad staat te trillen van de angst, hij voelt zijn hart kloppen tot in zijn keel. Je kunt de zweetdruppels zien vallen van zijn gezicht en is nu zeer kortademig. ‘Oh,’ schrikt Kiad. ‘De Aduhesk komt mijn richting op, hij heeft mij gezien, het is voorbij.’ De Aduhesk steekt zijn grote gespierde arm de boomhol in en pakt Kiad bij zijn kil. Kiad doet zijn ogen dicht en begint te huilen. De Aduhesk kijkt Kiad aan met zijn hele kleine kille ogen waar geen enkel leven in zit. De Aduhesk knijpt de kil van Kiad hard dicht. Kiad begrijpt niet waarom de Aduhesken de K’tisten willen doden zonder dat een K’tist een Aduhesk ooit iets heeft aangedaan. Het lijkt alsof het de taak is van een Aduhesk om K’tisten en Chizoffen te doden. Het zijn kleine wezens met twee te grote gespierde armen voor hun lichamen die de grond aanraken. Praatten kan een Aduhesk ook niet, ze hebben geen stembanden en geen mond. Wat een enge wezens, vind Kiad. Maar Kiad geeft niet op, en begint met zijn rug te duwen tegen de boom. De boom begint te schudden en de grote takken vallen uit de boom. De Aduhesk laat de nek van Kiad los en kijkt met een bang gezichtje naar boven en dan naar Kiad. ‘Ben je nu bang,’ schreeuwt Kiad. ‘Vuile Aduhesk, vlucht weg!’ De takken vallen op de Aduhesk en bij elke tak dat op zijn hoofd valt wordt hij banger. De Aduhesk begint te huilen, je kunt hem niet horen huilen, maar je ziet het in zijn ogen. ‘Ja,’ schreeuwt Kiad. ‘Ga maar huilen, kleine baby!’ De Aduhesk rent weg, maar nu niet op zijn grote gespierde armen. Maar op zijn heel kleine voetjes. En heel blij stapt Kiad de boom hol uit en begint te springen. ‘Whooooohh,’ lacht en schreeuwt Kiad. ‘Dacht je dat je mij alleen aan kan. Deze K’tist niet hoor!’ De Aduhesk rent heel hard weg en kijkt terug naar Kiad met zijn kleine bange ogen. Kiad blijft even stil staan en wacht tot de Aduhesk helemaal weg is. ‘Ik kan beter hier blijven staan voordat hij ziet welke kant ik op ga.’ zegt Kiad moe.

En Kiad buigt zijn rug en zet zijn handen op zijn benen, en zucht van opluchting. ‘Okay,’ zegt Kiad moe en wijst naar voren. ‘Moet die kant op.’ Kiad stapt over de takken die op de grond liggen en loopt verder. ‘Ben er bijna,’ zegt Kiad met zijn hand op zijn hart. ‘Houd vol broertje.’ ‘Vriend,’ hoort Kiad iemand plotseling roepen. ‘Vriend.’ Kiad blijft stil staan en vraagt zich af waar die stem vandaan komt. ‘Vriend,’ hoort Kiad iemand nog een keer roepen. ‘Hier in deze boom.’ Kiad draait zijn hoofd om naar links en ziet daar een boom. Hij loopt er naar toe en schrikt zich te pletter. Er hangt een K’tist verscheurd aan die boom. Zijn hoofd hangt ondersteboven aan zijn slokdarm aan een grote tak en zijn onderlichaam hangt aan de andere kant van de tak met ingewanden die eruit steken. Echt een vreselijk gezicht. Verschrikt staat Kiad de K’tist aan te gapen met grote bange ogen. Hij verslikt zich een paar keer en vraagt zich af waarom deze kwaden nou gebeuren hier op Skura. ‘Wat een kwaad.’ denkt Kiad bij zichzelf. ‘Hé,’ zegt de K’tist tegen Kiad. ‘Vriend, je ziet er verdwaasd uit.’ ‘Ja,’ zegt Kiad serieus. ‘Ik vraag me af of ik wel levend thuis kom, er zijn zoveel kwaden.’ ‘Ja,’ zegt de K’tist met een glimlach. ‘Ik zie het allemaal voor me, wat je allemaal hebt meegemaakt en wat je allemaal nog gaat meemaken… Prachtig!’ ‘Kan je me iets vertellen over hoe de reis naar Fiable mij vergaat?’ vraagt Kiad dwingend. Een K’tist die tussen leven en dood is kan heel de toekomst van Skura zien, van elk wezen op Skura. Hun ziel bevindt zich dan in de wachtruimte van de goden voordat ze heengaan. ‘Ik moet je iets vertellen over de route die je neemt naar Fiable…’ zegt de K’tist hoestend tegen Kiad. ‘Ja,’ zegt Kiad ongeduldig. ‘Vertel verder.’ ‘Met deze route… met route… kom je in de Woestenij van Skura,’ zegt de K’tist vermoeid. ‘Waar… waar veel kwaden… zijn, en Aduhesken… Chizoffen…’ ‘Vertel verder,’ zegt Kiad boos. ‘Kom ik levend thuis, kom op.’ De K’tist krijgt een hevige hoestbui en Kiad staat er ongeduldig naar te kijken. ‘Doe maar rustig.’ zegt Kiad geduldig. ‘Chizo… Aduhes… slagveld… de… de Bloem der… Helderheid…’ zegt de K’tist terwijl hij langzaam dood gaat.

Verbijstert kijkt Kiad hoe de K’tist langzaam sterft. En kijkt dan langzaam op naar de Woestenij van Skura en voelt een brok in zijn keel komen van verdriet. Zijn ogen worden vochtiger en word wanhopig, want Kiad heeft gehoord van de Woestenij van Skura. De meeste K’tisten die de Woestenij van Skura zijn ingegaan zijn daar gebleven of daar begraven. De Woestenij van Skura is een gebied waar het heel koud is. Maar er zijn heel veel fruit, planten en grondstoffen die nergens anders groeien op Skura. Daarom nemen toch veel K’tisten het risico om er te komen. Hij loopt langzaam de Woestenij van Skura in en het voelt al een stuk kouder aan dan als de rest van Skura. Bibberend probeert Kiad zichzelf warm te houden met zijn twee armen over zijn borst en schouders. ‘Help,’ schreeuwt Kiad wanhopig met zijn hoofd in de lucht. ‘Iemand help. Ik wil thuis komen, waar ik veilig ben en waar ik thuis hoor!’ ‘Is er iemand!’ schreeuwt Kiad schuddend met zijn hoofd. Maar Kiad hoort niets, alleen de stevige koude wind die langs zijn oren raast die ijs en ijskoud aanvoelt, die over zijn huid schuurt. Buitenadem gaat Kiad op zijn knieën zitten en zet trillend zijn armen en handen in de lucht. ‘Waarom!’ schreeuwt Kiad. ‘Waarom!’ Met wanhoop en verdriet zet hij zijn hoofd op zijn borst. ‘Dit heeft geen nut,’ zegt Kiad overtuigd terwijl hij opstaat. ‘Ik moet doorzetten.’ Terwijl Kiad loopt kijkt hij alert om zich heen of er geen Chizof of een Aduhesk te voorschijn springt. ‘Het is wel een prachtig gebied.’ denkt Kiad bij zichzelf terwijl hij door loopt. Kiad kijkt op naar de lucht en ziet de maan schijnen. De enige plek waar de maan schijnt is in de Woestenij van Skura. De Woestenij van Skura is een vlak gebied met hoog gras sprietjes dat wel een kwart meter hoog zijn. Je ziet ijskristallen in de lucht zweven door de wind. Er hangt een lichte mist waardoor het lijkt alsof er vallende sterren in de lucht zijn, maar het zijn heel kleine lichtjes in de mist die van plaats veranderen. Er liggen ook twee verschillinde soorten rotsen die allebei een ander kleur hebben en die op een ander manier glimmen. ‘Prachtig.’ denkt Kiad bij zichzelf. Het is er moeilijk lopen want je voet zakt een beetje door de grond, het lijkt net een moeras, maar dat is het niet. Je kunt er ook donkere vliegende bloemen in de lucht zien. De bloemen hebben een lichtbol met drie draaiende bladeren. De lichtbol geeft licht wanneer alle drie bladeren drie keer om hun as zijn gedraaid, dus dat is om de seconde. ‘Au!’ schreeuwt Kiad.

Hij kijkt waar hij op heeft getrapt en het is een halve schedel van een Chizof. Kiad kijkt om zich heen en ziet overal botten van Chizoffen, Aduhesken en K’tisten liggen. Dit is het bewijs dat je hier niet levend uit komt, maar laat Kiad nou maar positief blijven, want van negatief denken bereik je ook helemaal niks. Kiad doet één stap naar rechts en valt in een ondiepe kuil waarin skeletten, vlees en bloed van Chizoffen liggen. En het stinkt er ook verschrikkelijk. Over zijn hele lichaam zit nu vlees en bloed van de Chizoffen. Hij staat op en probeert de kuil uit te klimmen, maar zet een verkeerde stap op een afbrokkelende rots en valt weer in die ranzigheid. ‘Gatver!’ roept Kiad. ‘Waarom moet mij dit nou gebeuren!’ Hij staat snel op en springt de kuil uit en trapt op een hendel. Er slaan twee grote rotsen keihard van twee kanten tegen elkaar. Net op tijd haalt Kiad zijn hoofd weg, maar hij kan zijn wijsvinger niet redden. En valt op zijn knieën en begint te huilen. ‘Verdomme,’ schreeuwt Kiad. ‘Mijn vinger, mijn vinger!’ ‘Waarom moet het leven nou zo hard zijn,’ snikt Kiad. ‘Ik ben moe om elke dag van mijn leven te moeten vechten. Ik kan niet meer, ik kan niet meer!’ En terwijl Kiad aan het huilen is komt er een gevaar zijn richting op, maar door het gehuil hoort hij het niet. Heel langzaam en geduldig sluipt het naar Kiad, maar hij kan beter nu alert worden, want anders word het zijn dood. En kan zijn broertje naar het geneesmiddel fluiten. Kiad staat op en veegt zijn tranen en kijkt om zich heen of er geen Aduhesk of Chizof rond lopen. Hij zucht en wilt verder lopen, maar hoort iets. Hij draait zijn hoofd om naar achter. ‘Aaaahhhh!’ schreeuwt Kiad met een schorre piepstem terwijl hij heel hard weg rent. Hij rent als een wild dier weg alsof er een roofdier op hem afkomt. ‘Wat was dat voor een kwaad.’ schreeuwt Kiad. ‘Het verblinde me!’ Hij rent en valt telkens over skeletten van de Chizoffen. ‘Help, Mama,’ huilt Kiad terwijl hij rent en niet achterom kijkt. ‘Ik wil naar huis. Iemand kom me redden, alsjeblieft!’ Kiad blijft hard door rennen en ziet een grote rots. Zijn gezicht klaart op van opluchting en gaat achter de rots staan. Volledig buitenadem valt Kiad op zijn billen. ‘Wat was dat voor een kwaad,’ fluistert Kiad. ‘Het leek alsof er een licht in mijn ogen werd geschenen. Een heel fel licht.’ Voorzichtig staat hij op en probeert te kijken wat voor een kwaad dat was. Hij ziet een dik wezen met een ronde buik met gaten erin met een rond hoofd. Het heeft grote ronde bal ogen met kleine vleugels. En Kiad ziet dat er een fel licht uit de ronde oren van dat wezen komt. ‘Het is een…’ fluistert Kiad. ‘Het is een… Lordor’L… ik heb van die wezens gehoord, het zijn roofdieren. Genadeloze wezens. Ze zijn langzaam, maar ze hebben je binnen vier seconden opgegeten. Ze komen alleen maar voor in deze woestenij.’ Vol fascinatie bewondert Kiad de Lordor’L. De Lordor’L zoekt waar Kiad is gebleven met zijn oren die licht schijnen. ‘Wat is dat,’ kijkt Kiad geschokt. ‘Wat daar aan komt rennen… Dat is… een Aduhesk. Kiad ziet hoe de Aduhesk op zijn twee grote gespierde armen aan het rond rennen is en Kiad denkt dat hij op zoek is naar een Chizof of een K’tist. Heel rustig blijft Kiad achter de rots wachten totdat de Aduhesk en de Lordor’L weg zijn. De Aduhesk kijkt om zich heen en loopt de richting op van de Lordor’L. De wenkbrauwen van Kiad gaan omhoog en zijn mond word wijder en groter. ‘Almachtige kwaden…’ zegt Kiad geschrokken. ‘De Lordor’L heeft de Aduhesk gezien. De Aduhesk is er geweest!’ De Lordor’L vliegt langzaam de richting op van de Aduhesk en schijnt zijn felle licht in de ogen van de Aduhesk. Je kunt zien dat de Aduhesk niet tegen die felle licht kan en probeert zijn ogen te bedekken. Dan komen er kleine beestjes uit de gaten van de buik van de Lordor’L die langzaam naar de Aduhesk vliegen. Die Aduhesk kan zich niet weren tegen die beestjes, omdat hij verblindt word door de felle licht van de Lordor’L. De beestjes nemen grote happen uit het lichaam van de Aduhesk. De Aduhesk is zijn gezicht aan het fronsen van de pijn. En word binnen vier seconde helemaal opgegeten. Verstijfd van de angst staat Kiad te kijken hoe die beestjes weer in de buik van Lordor’L gaan. Van de schrik doet hij een stap terug en trapt op een bot van een Chizof en schreeuwt van de pijn. Bevreesd doet hij snel zijn hand voor zijn mond, maar het is te laat. De Lordor’L heeft Kiad al gehoord. ‘Oh,’ zegt Kiad bang. ‘Wat nu… de Lordor’L komt nu mijn kant op. Ik moet hem weg jagen.’ Maar Kiad weet niet hoe hij de Lordor’L moet weg jagen en de Lordor’L komt dichterbij. Kiad bedekt zijn ogen en kreunt van de pijn doordat de felle licht van Lordor’L in zijn ogen schijnt. Krimpend van de pijn valt hij op zijn knieën en doet zijn hoofd tussen zijn knieën om de licht te ontwijken. De gaten in de buik van de Lordor’L gaan al open en Kiad hoort al die beestjes eruit komen vliegen. Kiad beweegt zonder in de licht te kijken zijn handen in de lucht om die beestjes weg te jagen. Die beestjes naderen Kiad en hij springt naar achteren op rug zijn met zijn ogen dicht. En probeert zijn gezicht te bedekken. ‘Ga weg!’ schreeuwt Kiad in paniek. ‘Ga weg!’ Hij schuift wat naar achteren en voelt onder zijn rug kleine rotsen, hij draait zich om. En begint kleine rotsen te gooien naar de Lordor’L. Elke keer als die glimmende rotsen de licht van de Lordor’L weerkaatst op de Lordor’L schakelt zijn lichaam voor één seconde uit. ‘Hé,’ schreeuwt Kiad. ‘Dat is het, hij kan zelf niet tegen licht. Laat me een grote rots pakken die meer licht weerkaatst!’ Kiad kijkt zoekend op de grond en ziet een grote glimmende rots die hij nog net kan optillen. Beangst houd hij die rots voor zijn lichaam en doet zijn ogen dicht. Kiad trekt zijn gezicht samen omdat die beestjes kleine happen nemen in zijn lichaam, maar hij houdt vol tot de Lordor’L dood is. Naarmate de Lordor’L dichterbij komt en de licht die weerkaatst word door de rots die Kiad in zijn handen heeft steeds feller word schakelt hij steeds vaker uit totdat hij hard op de grond valt. Voorzichtig loopt Kiad er naar toe om te kijken of de Lordor’L echt is uitgeschakeld. Hij bukt en tikt er een paar keer op. Het is zo zacht als een spons. ‘Wow,’ zegt Kiad gefascineerd. ‘Dat was dus de beroemde Lordor’L.’

De atmosfeer verandert een beetje, en Kiad kijkt omhoog naar de lucht. ‘Wat raar,’ zegt Kiad. ‘Heel de atmosfeer wordt zwart!’ Hij staat weer op en ziet alles weg vagen. De lucht, de planten, de rotsen. Letterlijk alles verdwijnt voor de ogen van Kiad. ‘Wat gebeurt hier in vredesna…’ zegt Kiad ongerust. En Kiad word naar beneden gedrukt, maar hij probeert tegenstand te bieden. De zwaartekracht wordt met de seconde zwaarder. En het begint te donderen van de bliksem. Met al zijn kracht vecht hij hard tegen de zwaartekracht, maar word uiteindelijk toch op de grond gedrukt. Kiad word zo hard op de grond gedrukt dat bijna al zijn botten afbreken. Hij kan zich niet meer bewegen en al zijn vlees word in elkaar gedrukt. Er beginnen kreukels en pijnlijke bloedpropjes te ontstaan op zijn huid. En kotst omdat al het eten in zijn maag eruit word geperst. ‘Wat is dit voor een kwaad,’ schreeuwt Kiad hoestend op de grond gedrukt. ‘Het komt waarschijnlijk doordat ik die Lordor’L heb gedood!’ Hij voelt nu zijn knieën afbrokkelen en kreunt van de pijn. ‘Help!’ schreeuwt Kiad creperend van de pijn. ‘Iemand help!’ De zwaartekracht wordt zwaarder en ineens verdwijnt het voor zes seconde. Kiad gaat langzaam de lucht in en begint te zweven. Met een verbaasde blik kijkt hij om zich heen terwijl er bliksem inslagen rond om hem zijn. ‘Wat gebeurt hier in vredesnaam.’ denkt Kiad barstend van de pijn. En valt weer hard op de grond en heel Skura is terug behalve de Lodor’L. Uitgeput blijft Kiad op de grond liggen en is buitenadem. Dat gevecht tegen de zwaartekracht was een hele zware, want je vecht tegen iets wat veel groter is dan jezelf. Maar het was niet de zwaartekracht van Skura, het was eigenlijk een kwaad. Een kwaad dat de zwaartekracht verzwaarde.

Afgemat kijkt hij met hele kleine vermoeide ogen om zich heen of heel Skura echt weer terug is. Hij ziet weer het lelijke donker blauwe bomen, die vliegende bloemen, de zwarte planten en het lange donkere gras sprietjes tussen zijn vingers. ‘Ja,’ zegt Kiad een beetje teleurgesteld. ‘Skura is weer terug en precies zoals het was. Tja.’ De ogen van Kiad gaan weer wagen wijd open omdat hij in de verte een Chizof hoort lachen. Behoedzaam kijkt hij op en ziet ‘m. Voorzichtig staat hij op en loopt langzaam en zachtjes door zodat de Chizof hem niet ziet. Want in een gevecht met een Chizof heeft hij geen zin. Kiad loopt de Chizof voorbij en begint steeds harder te lopen. Heel bang kijkt hij achterom en ziet de Chizof dansen en schreeuwen. Doordat Kiad achterom kijkt ziet hij niet waar hij loopt. En valt hij over een bergje rotsen. De Chizof draait zich om en ziet Kiad op de grond liggen. De Chizof begint te krijsen en schreeuwen en rent heel snel naar Kiad. Kiad draait zich om en gaat op zijn rug liggen en ziet de Chizof aankomen rennen. Met een grote wilde sprong springt hij op Kiad, maar Kiad schopt hem weg. ‘Ik heb teveel moeten doorstaan om jou nu te laten winnen!’ zegt Kiad overtuigd. Met een glimlach staat de Chizof Kiad aan te kijken en is helemaal buitenadem. ‘Wat moet je!’ zegt Kiad boos. ‘Wat sta je daar te lachen! Je krijgt me niet!’ Buitenadem kijkt de Chizof om zich heen. ‘Wat zoek je?’ zegt Kiad boos. ‘Een rots… jij kleinzielig wezen!’ Kiad pakt een raar gekleurde rots onder zijn rug en wil het op de Chizof gooien en de Chizof begint weer hard te lachen. Het maanlicht breekt door de wolken heen en schijnt dan op de raar gekleurde rots. Die rots weerkaatst het maanlicht op de Chizof en de botten van de Chizof vallen uit elkaar. En Kiad schreeuwt van de schrik. Kiad ziet elk botje van de Chizof uit elkaar vallen. Daarna ziet Kiad in zijn huid al zijn botten door elkaar liggen op de grond. ‘Wat een verschrikking!’ schreeuwt Kiad. Kiad draait zich om op zijn knieën. ‘Moet hier wegwezen!’ schreeuwt Kiad.

Zonder een grijze scherpe plant op te merken steekt hij zichzelf in zijn hand. ‘Au!’ zegt Kiad terwijl hij opstaat om verder te lopen. ‘Wat heeft mij gestoken. Het doet zo vreselijk pijn.’ Die plek waar Kiad is gestoken word steeds roder. ‘Verdomme.’ Zegt Kiad bezorgd over zijn wond. ‘Het begint op te zwellen.’ Met een vreemd voorgevoel blijft hij even stil staan. ‘Ik kan beter terug gaan en een ander route nemen.’ Fluistert Kiad. Hij draait zich om en ziet een aantal Chizoffen aankomen dansen. ‘Oh… wat nu!’ fluistert Kiad. ‘Daar zijn een aantal Chizoffen.’ Kiad staat stil en probeert een uitweg te vinden. En draait zich de ander kant op en ziet nog meer Chizoffen aankomen rennen. ‘Nu ben ik echt de pineut!’ fluistert Kiad met een moeilijk gezicht. Zijn tanden staan stevig op elkaar met een heel gefronst gezicht. ‘Het zijn er teveel om tegen op te nemen!’ fluistert Kiad. ‘Dat win ik nooit!’ En die wond wordt roder en begint meer pijn te doen totdat Kiad op zijn knieën gaat. En kreunt van de pijn. ‘Wat een vreselijke pijn.’ kreunt Kiad. Het lichaam van Kiad staat op zonder dat hij dat wil. ‘Wat gebeurt hier,’ denkt Kiad geschokt. ‘Ik heb geen controle meer over mijn lichaam.’ Het lichaam van Kiad begint te springen en schreeuwen zonder dat hij dat wil. Het lijkt alsof zijn lichaam helemaal is doorgedraaid. Dan draait zijn lichaam zich om en rent als een wilde dwaas de richting op van de Chizoffen. ‘Wat gebeurt er met me,’ denkt Kiad bang. ‘Ik jaag mezelf de dood in! Keer terug Kiad, keer terug!’ De Chizoffen schrikken, maar beginnen te lachen, schreeuwen, dansen en te zingen. Het lichaam van Kiad blijft dan voor de neus van de Chizoffen staan huilen en schuimbekken. De Chizoffen staan keihard te lachen totdat ze Kiad te grazen willen nemen. Ze rennen naar Kiad toe, maar zijn lichaam rent weg. Wat een lawaai maken de Chizoffen en er komen steeds meer Chizoffen aan rennen. Kiad vraagt zich af of hij wel levend kan ontsnappen. De Chizoffen rennen, struikelen en springen over elkaar heen. Ze willen allemaal maar één ding en dat is Kiad. En ze deinzen nergens voor terug, al trappen ze elkaar dood. Kiad krijgt maar geen controle over zijn lichaam. Met al zijn wilskracht probeert hij zijn lichaam te besturen en naar een veilige plek te brengen, maar dat lukt hem niet. En de Lichaam van Kiad nadert nu ook een grote groep Aduhesken. ‘Ja,’ denkt Kiad bang. ‘Nu ik ben er geweest!’ En de Aduhesken zien Kiad en al de Chizoffen aankomen rennen. De Aduhesken zijn meteen paraat en rennen nu op de Chizoffen af. Het lichaam van Kiad staat even stil en begint weer te huilen. En rent dan snel naar een heel grote rots van wel drie meter hoog. Kiads lichaam valt op de grond en hij heeft weer controle over zijn eigen lichaam. Bang kijkt hij achterom en ziet een groot slagveld tussen de Chizoffen en de Aduhesken. Er komen meer Chizoffen en Aduhesken aan rennen. De Chizoffen komen schreeuwend en lachend aan rennen en de Aduhesken komen op hun gespierde armen aan stampen. En vechten tot de dood. ‘Wat heb ik gedaan,’ zegt Kiad moe en teleurgesteld. ‘Ik heb een slagveld… een oorlog… veroorzaakt. Dit heb ik nooit… gewild.’ ‘En trouwens…’ beseft Kiad met grote glazige ogen. ‘Om Fiable, mijn huis te bereiken moet ik langs al die Aduhesken en Chizoffen. Dat is de route naar Fiable… Dit ziet er totaal niet goed uit.’ Kiad is ten einde raad, hoe komt hij nou in vredesnaam thuis en hoe brengt hij nou het geneesmiddel naar zijn broertje. En hij vraagt zich af hoe het met zijn broertje gaat. ‘Houd nog even vol, broertje,’ zegt Kiad moedig. ‘Hoe dan ook, wat er ook gebeurt. Het geneesmiddel komt naar je toe!’ Kiad kijkt hoopvol naar boven. ‘Hoop ik.’ denkt Kiad bezorgd. Maar hij heeft geen tijd om na te denken, hij moet een manier of oplossing bedenken om Fiable te bereiken. Voorzichtig staat hij op en loert een beetje naar het slagveld tussen de Chizoffen en de Aduhesken. Vol afschuw ziet hij Chizoffen de huid van de Aduhesken eraf scheuren en bijten en de Aduhesken die de Chizoffen door midden slaan. Echt een naar gezicht. Kiad word wanhopiger en begint de moed te verliezen, want als er één Chizof of Aduhesk dood gaat komt er weer nieuwe aanrennen. ‘Wat moet ik nu doen!’ vraagt Kiad zich huilend af.

Met zijn volledige aandacht bij het slagveld, hoort hij iemand giechelen en grijnzen. Hij draait zijn hoofd om naar rechts en ziet een klein lelijk mannetje als een kleie kind giechelen. Hij schrikt zich rot en krijgt bijna een hartaanval, en valt op de grond. Hij begint te hyperventileren. ‘Jij bent een…’ zegt Kiad. ‘Jij bent… jij bent een…’ Door de schrik kan hij niet meer normaal praten en is aan het stotteren. ‘Jij bent een…’ herhaald Kiad met een bange schorre stem. Kiad moet de hele tijd slikken en terwijl hij in een schok zit blijft die kleine mannetje gewoon door giechelen. ‘Jij bent een…’ brult Kiad met een schorre stem. ‘… Een Sterfkind!’ ‘Heb je een hand nodig? vraagt de Sterfkind met een lieve stem. Vermoeid en langzaam staat Kiad op. ‘Wat doe jij hier,’ zegt Kiad boos. ‘Je hebt hier niets te zoeken.’ ‘Ik kom alleen maar ons helpen,’ zegt de Sterfkind met een vriendelijk gezicht. ‘De juiste beslissingen te nemen.’ ‘Wat voor juiste beslissingen,’ zegt Kiad kwaad. ‘Ik heb jou niet nodig, jij bent een kwaad, een mythe! Dus verdwijn!’ Een Sterfkind komt wanneer je geen enkele uitweg meer hebt, wanneer alles er hopeloos uitziet. Een Sterfkind is het slechte spiegelbeeld van jezelf, alles wat lelijk aan je is, is nog veel lelijker in je spiegelbeeld van de Sterfkind. Bijvoorbeeld deze Sterfkind heeft een nog krommere rug, nog scherpere vingers en veel grotere voeten. Een nog erger vervormde gezicht en een nog erger schorre piepstem dan Kiad. Heel veel K’tisten zijn overleden door een Sterfkind. Kiad heeft nooit verwacht ooit een Sterfkind te zien in zijn leven, het was altijd een angst van hem die nu werkelijkheid is geworden. De Sterfkind loopt langzaam met een lief gezicht naar Kiad. ‘Kijk,’ zegt de Sterfkind dwingend. ‘Wij kunnen nu beter opgeven. Wij kunnen ze toch niet aan. Kijk naar ons. Wij hebben nooit wat gepresteerd, we kunnen nu beter dood gaan. Zie je dat dan niet!’ ‘Opgeven?’ zegt Kiad verbaast. ‘Mijn broertje dan,’ zegt Kiad scheldend. ‘Moet hij dood gaan…’ ‘Maar het is ons schuld,’ onderbreekt de Sterfkind Kiad. ‘Ons broertje is beter af zonder ons, iedereen is beter af zonder ons.’ ‘Het is inderdaad mijn schuld,’ zegt Kiad. ‘Zonder mij was mijn broertje nu gezond.’ ‘Dus laten we nu een einde maken aan ons leven,’ zegt de Sterfkind medelevend. ‘Het is het beste.’ ‘Ik heb nooit wat kunnen betekenen voor iemand,’ zegt Kiad. ‘Als ik echt een goede broer was zou mijn broertje nu niet ziek zijn.’ ‘Inderdaad,’ zegt de Sterfkind dwingend. ‘Wij hebben ons broertje ziek gemaakt. Wij zijn geen goede K’tisten, wij hebben de K’tisten waar wij het meest van houden heel vaak pijn gedaan.’ Kiad kijkt de Sterfkind verdrietig aan. ‘Ons broertje zal juist blij zijn als we opgeven en ons zelf de dood in jagen!’ zegt de Sterfkind vriendelijk. ‘We zijn niets, we betekenen niets.’ Kiad kijkt om naar het slagveld en neemt een diepe zucht. ‘We halen Fiable toch niet!’ zegt de Sterfkind met een medelevend gezicht. ‘We zijn telkens bijna dood gegaan en dat kom doordat we dit gevecht om Fiable te bereiken niet waardig zijn.’ De Sterfkind zet zijn hand op de schouder van Kiad. ‘Als we al niet in ons zelf geloven,’ zegt de Sterfkind lief. ‘Hoe kunnen wij dit gevecht dan aan.’ De Sterfkind doet een stap naar achter en wijst naar Kiad. ‘Kijk naar ons,’ zegt de Sterfkind beledigend. ‘Wij zijn mislukkingen, wij zullen nooit wat bereiken. Maar dat wisten we al toen we waren geboren!’ ‘Je hebt gelijk,’ zegt Kiad triest. ‘Wat maak ik mezelf wijs, ik ben niet sterk genoeg!’ De Sterfkind duwt Kiad zachtjes de slagveld in met een triest gezicht. ‘Het is het beste voor ons allemaal.’ zegt de Sterfkind vriendelijk. Voordat Kiad het slagveld in loopt kijkt hij om naar de Sterfkind en ziet in een flits een demon heel gemeen lachen. Kiad draait zich om en duwt de Sterfkind op de grond. ‘Hoe durf je me te bespelen, demon.’ schreeuwt Kiad boos. De Sterfkind begint als een kleuter te huilen en snotteren. ‘Ik bespeelde ons niet,’ jankt de Sterfkind. ‘Ik deed wat het beste voor ons was. Voor ons broertje.’ ‘Het is jouw broertje niet,’ praat Kiad boos. ‘Jij bent een kwaad, een demon. Ga nu weg!’ Dan kruipt de Sterfkind huilend op zijn knieën naar Kiad en trekt aan zijn been. ‘Alsjeblieft,’ zegt de Sterfkind snotterend. ‘Niet boos op ons zijn. Ik wil ook dat ons broertje het red, maar het gaat ons niet lukken.’ Kiad schopt de Sterfkind weg en de Sterfkind begint nog harder te huilen. ‘Houd je bek,’ zegt Kiad boos. ‘Ik probeer nu na te denken.’ Hoe kan je zo tegen ons praten.’ snottert de Sterfkind. ‘Wat zei die stervende K’tist ook alweer,’ zegt Kiad nadenkend. ‘Hij zei iets over een… slagveld en een bloem. Maar wat voor bloem ook alweer…’ ‘Vergeet die bloem,’ onderbreekt de Sterfkind Kiad. ‘Die bloem kan ons niet helpen! Kiad zwaait zijn arm en wil de Sterfkind slaan, maar doet dat niet. De Sterfkind valt bang op de grond en is in paniek. Maar de Sterfkind staat op en rent naar Kiad en duwt hem het slagveld in. ‘Wat doe jij!’ schreeuwt Kiad geschokt. Terwijl Kiad valt ziet hij iets op de grond glimmen tussen de vechtende Chizoffen en Aduhesken. ‘Ja… dat is ‘m’ schreeuwt Kiad blij. ‘De Bloem der Helderheid!’ Vol moed staat hij op en rent er naar toe. ‘Nee,’ schreeuwt de Sterfkind in paniek. ‘Kom terug!’

Met al zijn kracht duwt Kiad twee Chizoffen en een Aduhesk uit de weg en duikt op de grond waar de Bloem der Helderheid is. Hij pakt de bloem, rent naar een Chizof en trapt op hem en springt de lucht in. Kiad schreeuwt zo hard als hij kan. Heel het slagveld staat stil en kijkt naar hoe Kiad in de lucht zweeft. Zwevend in de lucht doet hij zijn hand voor zijn ogen en een heel fel licht komt uit de Bloem der Helderheid die over heel de woestenij schijnt. Terwijl Kiad op de grond valt liggen alle Chizoffen en Aduhesken dood op de grond. Hij doet zijn ogen open en ligt tussen een opengereten Aduhesk en een door midden gebroken Chizof. Zijn hele arm zit onder de bloed van de opengereten Aduhesk. Hij staat op en schud de bloed van zijn arm met nog steeds de Bloem der Helderheid in zijn andere hand. De bloem gloeit steeds minder tot het veranderd in as. Tevreden staat hij tussen tiental dode Chizoffen en Aduhesken waar je bij allemaal verbrande ogen ziet. Voldaan kijkt hij om zich heen. ‘Moet je eens kijken wat een groot gevecht dit was,’ zegt Kiad trots. ‘En ik heb het overleefd.’ Kiad pakt het geneesmiddel uit zijn zak om zijn middel en word emotioneel. ‘Broertje,’ zegt Kiad emotioneel. ‘Ik heb zoveel moeten doorstaan om dit geneesmiddel naar je toe te brengen. Wie weet wat nog meer.’ Kiad maakt een vuist van zijn hand en zet die in de lucht. ‘Maar ik ga Fiable bereiken,’ zegt Kiad overtuigd. ‘Broertje, houd het nog eventjes vol.’

Vol trots loopt hij al die lijken van de Chizoffen en de Aduhesken voorbij. En zo gaat er een uur voorbij zonder een kwaad, of een Aduhesk en een Chizof tegen te komen. De meesten van hun zijn omgekomen in het slagveld. Kiad kan de beelden niet uit zijn hoofd krijgen hoe de Chizoffen en Aduhesken elkaar afslachten. Het was echt een oorlog. Kiad weet dat er wel vaker gevechten zijn tussen die twee wezens, maar zoals dit had hij het niet voorgesteld. Het waren net beesten. Kiad zucht maar ziet in de verte de mist wat opklaren. ‘Ja,’ zegt Kiad heel blij terwijl hij stil blijft staan. ‘Ik ben bijna de Woestenij uit…’ Maar de blijdschap vervaagt snel. De mond van Kiad valt een beetje naar beneden en krijgt een schrik in zijn gezicht. ‘Wacht eens even!’ zegt Kiad terwijl zijn ogen aanzienlijk groter worden. Met een heel bang gezicht kijkt Kiad om zich heen en ziet overal grote rotsen op elkaar gezet als huizen. Kiad denkt dat dit het leefgebied van de Aduhesken zijn, alleen hun zijn zo sterk om van rotsen huizen te maken. Nu moet Kiad omlopen, want er moeten waarschijnlijk heel veel Aduhesken in de buurt zijn. Hij draait zich bang om en begint te lopen. Zijn bloeddruk begint te stijgen, zijn hartslag gaat omhoog, hij begint te hijgen. Hij wordt kortademig en krijgt het benauwd. ‘Oh, nee,’ zegt Kiad in paniek. ‘Moet rustig worden, moet aan iets positiefs denken.’ Hij raakt meer in paniek en kan niet helder kijken en nadenken. Hij kijkt om naar achter en ziet al een donkere mist aankomen. ‘Nee,’ zegt Kiad in paniek. ‘Dit is het ergste kwaad. Ik moet rustig worden!’ Dit is het echte kwaad van Skura. Het kwaad dat je komt vernietigen in de vorm van een donkere mist. Het kwaad dat genadeloos is die onverwacht en altijd ongelegen komt. Het echte kwaad komt wanneer je van positiviteit in één keer naar negativiteit gaat en waneer je dan angst, paniek en wanhoop toelaat. Dit kwaad, de donkere mist vreet je helemaal op als je niet op tijd sterk genoeg bent om het weg te krijgen. ‘Ik ben niet sterk genoeg!’ schreeuwt Kiad verdrietig en boos. De mist van het kwaad komt aanwaaien en duwt hem op de grond. Hoe banger Kiad wordt voor het echte kwaad en hoe meer hij in paniek raakt. Hoe sterker en wilder de mist word. Hoe harder het gaat waaien, hoe erger Kiad zich gaat voelen tot het verandert in een tornado. En tot hij niets meer ziet en niet meer helder kan nadenken. Het enige waar hij aan kan denken is om te vluchten, maar zo werkt het niet. Je moet het echte kwaad confronteren en het weg sturen. ‘Ik ben niet meer bang voor je!’ schreeuwt Kiad gedrukt op de grond door het echte kwaad. Langzaam en moeizaam staat Kiad op. ‘Ik ben sterker dan jou,’ schreeuwt Kiad. ‘Hoor je me! Ik heb zoveel kwaden overleefd en dus jou ook!’ Maar het echte kwaad geeft nog niet op, het word sterker, donkerder, heftiger en het krijgt Kiad de lucht in. De tornado gaat nog harder draaien en probeert het hoofd van Kiad eraf te rukken. Kiad moet al zijn kracht gebruiken om zijn lichaam bij elkaar te houden en begint harder te schreeuwen. De wind van de tornado begint de huid van Kiad af te scheuren en draait Kiad in de rondte om hem uit balans te krijgen. Maar Kiad herpakt zich en maakt van zijn handen een vuist. Hij wil nu het gevecht aangaan tegen het echte kwaad. ‘Hé…, kwaad,’ schreeuwt Kiad boos. ‘Jij moet opgeven! Want ik geef niet op!’ Het echte kwaad wordt bozer en heel Skura krijgt een donkere dichte mist. De grond verpulvert en alle steen en zand waait de richting op van Kiad. De buik en benen van Kiad scheuren open. Al het zand waait in de ogen van Kiad. Met zijn handen probeert hij het weg te vegen, maar het lukt niet. De botten komen uit de handen van Kiad. Hij schreeuwt zo hard als hij kan. ‘Nu is het genoeg!’ zegt Kiad woedend. ‘Je gaat nu weg! Hoor je me!’ Door de moed die Kiad opbouwt zakt zijn bloeddruk en begint de mist te minderen. Helemaal vermoeid valt hij op de grond. En de donkere mist verdwijnt. Hij is helemaal buitenadem en bezweet. Hij heeft het echte kwaad in de ogen gekeken. Het was het meest verschrikkelijkste gevoel die hij ooit heeft ervaren. Dit was het echte kwaad van Skura, hij heeft gehoord toen hij nog een kleine K’tist was dat de meeste K’tisten dit niet overleven. Maar hij wist niet dat het zo erg was. Alle K’tisten vrezen dit kwaad, het enige wat Kiad hoort als hij het dorp uit ga is dat hij moet oppassen voor dit kwaad. Dat hij niet teveel negatief moet denken als hij op pad is en probeer toch een beetje positief te denken wat er ook gebeurt. Maar dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Met moeite staat hij op en heeft overal pijn. Hij heeft overal grote scheuren op zijn lichaam, zijn buik is helemaal open en de botten van zijn vingers liggen eruit. Kiad probeert door te lopen, maar valt op de grond. Hij probeert schuddend en trillend op te staan, maar dat lukt hem niet. ‘Dus,’ zegt Kiad cynisch. ‘Dus dit is het! Dit is het einde!’ Kiad gaat op zijn rug liggen en steekt zijn armen en handen in de lucht. ‘Hebben jullie nu je zin!’ zegt Kiad woedend. ‘Ik kan niet meer verder! Ik ben verslagen! Dit is het einde!’ ‘Dit is toch wat jullie wilde!’ schreeuwt Kiad hoestend. ‘Het spijt me, broertje.’ Zegt Kiad hoestend terwijl hij zijn ogen sluit. ‘Maar ik blijf hier liggen. Ik kan niet meer verder, ik heb echt mijn best gedaan.’

Maar dan komen alle vallende sterren in de mist van de Woestenij de richting op van Kiad. ‘Wat gebeurt er nou!’ zegt Kiad terwijl hij zijn ogen wagenwijd open doet. De vallende sterren schieten allemaal op Kiad en ontploffen op zijn huid als vuurpijlen. Zijn huid begint een licht uit te stralen en al zijn wonden genezen. Hij raakt zijn gloeiende huid aan en begrijpt niet wat er aan de hand is. Dit is het eerste licht die hij kan bekijken met zijn ogen zonder te vergaan van de pijn. Hij krijgt een grote glimlach op zijn gezicht. ‘Wow!’ zegt Kiad bewonderd. Hij probeert de kleine vuurpijltjes te pakken, maar dat lukt niet. Omdat het licht is. En licht kan je natuurlijk niet beet pakken. ‘Ik kan niet wachten om dit mijn broertje te vertellen!’ zegt Kiad met grote ogen. ‘Hij zal mij waarschijnlijk niet geloven.’ De vuurpijltjes worden weerspiegeld op de pupillen van Kiad. ‘Dit zijn de wonderen van Skura!’ zegt Kiad. Kiad staat op en draait in de rondte en begint hard te lachen. Hij zwaait met zijn handen en er schieten lichtjes op de grond. Hij zwaait zijn rechterhand de lucht in en ziet de lucht een heel klein beetje opklaren. Hij kan er geen genoeg van krijgen. Hij schiet met zijn linkerhand een groot licht straal de lucht in en het keert met een rap tempo weer terug naar Kiad. En hij verdwijnt naar een ander dimensie. En staat opeens in een zwarte gang met een opening in de verte. De gang heeft een diepe zwarte kleur zoals het heelal. ‘Hoe kom ik hier?’ Zegt Kiad terwijl hij zijn stem hoort galmen. Hij kijkt om zich heen en ziet niets behalve die opening in de verte. ‘Wat is dit voor plek?’ zegt Kiad bezorgd. ‘Is dit weer een kwaad?’ Hij probeert de muren aan te raken, maar het lijkt van water. ‘Ik moet hier weg komen!’ zegt Kiad bang. Hij rent naar de opening, maar hij zweeft meer en komt niet echt vooruit. ‘Wat is dit!’ zegt Kiad verontrustend. ‘Zo kom ik nooit bij die opening!’ Verbijsterd ziet hij die opening langzaam dicht gaan. ‘Oh, nee!’ schreeuwt Kiad. ‘Ik heb geen tijd te verliezen!’ Met al zijn kracht probeert hij te rennen naar die opening, maar word dan tegen gehouden door vier onzichtbare handen. Die handen trekken aan zijn handen, schouder en benen. ‘Laat me los!’ schreeuwt Kiad paniekerig. ‘Anders overleeft mijn broertje het niet!’ Kiad valt op de grond en kijkt bevreesd naar de opening die langzaam dicht gaat. De handen trekken hem verder van de opening. ‘Nee!’ schreeuwt Kiad woedend. ‘Nee!’ Hij schreeuwt en verzamelt al zijn kracht om op te staan. Zijn huid begint te gloeien en hoe meer kracht hij zet hoe feller zijn huid gloeit. ‘Jullie moeten mij los laten!’ schreeuwt Kiad. De opening is bijna dicht. En er komen meer handen die de weg blokkeren van Kiad. ‘Alsjeblieft!’ schreeuwt Kiad boos. ‘Laat me gaan!’ Kiad krijgt een onwijze woede aanval en verandert in een lichtflits. En schiet door de opening die op een kiertje staat. Vanuit de ruimte schiet hij met de snelhuid van het licht weer op Skura en veroorzaakt een grote krater in de grond. Langzaam verandert hij weer in Kiad en doet zijn ogen open. Hij kijkt naar zijn handen of hij weer een K’tist is geworden en krijgt een kleine glimlach op in zijn gezicht. Hij staat moeizaam op en loopt de krater uit. Je kunt de blijdschap zien in de ogen van Kiad die zijn huid knijpt en dan om zich heen kijkt. ‘Ben ik er weer, en is dit Skura!’ zegt Kiad opgetogen.

Hij is nog nooit zo blij geweest om Skura te zien. Hij kijkt op en krijgt een glimlach op zijn gezicht, omdat hij de berg ziet van Fiable. ‘Hé… ik ben er,’ schreeuwt Kiad van geluk. ‘ik ben thuis!’ Heel blij rent hij springend de berg op. Van blijdschap is hij liederen aan het zingen die eeuwenoud zijn. Liederen die over het leed gaan van de K’tisten hoe zwaar het leven is op Skura. Kiad merkt dat hij Fiable bijna heeft bereikt doordat het steeds kouder word en het sneeuw begint te vallen. Vol bewondering kijkt hij om zich heen en herkent alles. De plekken waar hij speelde toen hij nog klein was en waar hij zich verwonde en huilend naar zijn moeder rende. Ook plekken waar hij met zijn broertje rond liep en over kinderlijke dingen praatte waar zijn broertje zich mee bezig hield. Hij krijgt er een warm gevoel van. ‘Ja, nu ben ik er echt bijna.’ zegt Kiad vermoeid, maar blij. Uitgeput blijft hij even staan om op adem te komen en ziet de plek waar hij zijn broertje bewusteloos vond. De giftige planten zijn weggehaald. Waarschijnlijk door zijn dorpgenoten zodat andere kind K’tisten er ook niet ziek van worden. Kiad loopt heel snel verder en herkend al de ijsbomen en planten die dicht bij Fiable staan. Verheugd loopt hij verder. ‘Hé, daar is mijn dorp, Fiable!’ schreeuwt hij blij. Opgetogen gaat hij nog harder rennen en struikelt over zijn rechterbeen. ‘Aaaaahhhh,’ schreeuwt Kiad. ‘Wat is dit voor een helse pijn!’ Schreeuwend van de pijn kijkt hij wat er met zijn rechterbeen aan de hand is. Er groeit onkruid uit zijn been net onder zijn knie. Creperend van de pijn trekt Kiad het onkruid uit zijn been. Wat een helse pijn. Onkruid is een kwaad op Skura en het treft je wanneer je te blij word. Want dan beginnen er Onkruid uit je lichaam te groeien. Op Skura mag je niet te blij worden, dat is één van de Geboden op Skura. Nadat hij al het onkruid uit zijn been heeft getrokken loopt Kiad mank stap voor stap naar Fiable. Heel opgelucht loopt hij zijn dorp in en valt neer. ‘Hé, jongens,’ roept een mannelijke K’tist van Fiable. ‘Kiad heeft het gehaald.’ Een aantal K’tisten rennen naar Kiad en tillen hem op en nemen hem mee. ‘Hé, jongens,’ zegt Kiad uitgeput. ‘Het geneesmiddel voor mijn broertje zit in de zak om mijn heup, breng het snel naar hem.’

Een vrouwelijke K’tist haalt het geneesmiddel uit de zak van Kiad en rent snel naar de ijsboomhut waar het broertje van Kiad ligt. De hut is een blauwe hol ijsboom. De ijsbomen op Skura worden heel lang en heel breed. Ze hebben geen bladeren, de ijsbomen halen hun zuurstof uit het water heel diep in de grond. Het dorp Fiable bestaat uit negentien ijsboomhutten waar een hele K’tisten gezin in woont. Ze groeien alleen in de bergen van Skura. Ze brengen Kiad naar een ander ijsboomhut en leggen Kiad op een bed gemaakt van ijsboom hout met daarop een dekbed gemaakt van dikke zachte blauwe bladeren. Die dikke blauwe bladeren halen de K’tisten uit de rivieren in de bergen. Het is lekker warm in zo’n ijsboomhut, want ijsbomen zijn planten die zichzelf opwarmen. Voordat Kiad in slaap valt hoort hij zijn broertje lachend aankomen rennen. Kiad krijgt een glimlach op zijn gezicht, omdat hij zijn broertje weer in zijn armen kan sluiten. Lachend komt zijn broertje de ijsboomhut in en gaat direct de armen in van Kiad. Kiad geeft zijn broertje een stevige omhelzing en laat hem nooit meer los.

Het einde

(C) Xavier Brenet

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s